|
sinds 1984 |
Instructievormen Instructievormen zijn bijvoorbeeld presentaties. De docent of trainer heeft het voortouw en de deelnemers hebben een passieve rol. Het gaat om eenrichtingsverkeer: de leerstof gaat via de trainer naar de deelnemers. Succesfactoren: · de trainer beheerst de leerstof volledig (staat ‘boven’ de stof) · beperkte tijdsduur (circa 15 minuten achtereen) · geschikt voor het overdragen van (feiten)kennis Voordelen: · tijdsbesparend · geschikt voor grote groepen · iedereen krijgt dezelfde stof gepresenteerd Nadelen: · deelnemers zijn passief · ‘luisteren’ heeft een beperkt effect op het onthouden van de leerstof · geen mogelijkheid om in te zoomen op (niveau)verschillen tussen deelnemers Voorbeelden: · presentaties · demonstraties (het effect is iets groter omdat de trainer een beroep doet op de visuele waarneming)
Gespreksvormen Bij gespreksvormen is er sprake van tweerichtingsverkeer tussen trainer en deelnemers. Beiden dragen informatie aan en wisselen ideeën uit en ontdekken al doende nieuwe aspecten in de leerstof. Succesfactoren: · de trainer is vaardig in het leiden van (groeps)discussies · beperkte groepsomvang (circa 10 personen) Voordelen: · actieve betrokkenheid van alle deelnemers · deelnemers worden aangezet tot denken én argumenteren Nadelen: · tijdsintensief · verloop en uitkomst zijn wat ongewis Voorbeelden: · (groeps)discussie · onderwijsleergesprek
Het onderwijsleergesprek Het onderwijsleergesprek is een vraagvorm waarin je als trainer de deelnemers stapsgewijs tot kennis en inzicht brengt aan de hand van gestructureerde vragen. De trainer stelt de vragen; de deelnemers antwoorden; de trainer geeft feedback en vraagt door. Valkuil van het onderwijsleergesprek is dat het een schoolse overhoring wordt. Probeer dat te voorkomen Het werkt als volgt: · Je stelt een vraag aan de hele groep. Kijk niemand in het bijzonder aan: de vraag is voor iedereen bestemd. Stel één vraag tegelijk. · Vraag een deelnemer antwoord te geven. Noem zijn naam, stel een open vraag (‘Wat vind jij?’). Luister aandachtig naar het antwoord. Herhaal het of vat het samen. · Geef adequate feedback. Vraag door als het antwoord onjuist of onvolledig is. Opdrachten Opdrachten doen een beroep op de zelfwerkzaamheid en creativiteit van deelnemers. Opdrachten hebben vele verschijningsvormen: van zelfstudie, huiswerk tot het (in subgroepen) bestuderen en uitwerken van cases. Succesfactoren: · de trainer is in staat een ‘levensecht’ vraagstuk te presenteren · opdrachten uitvoeren in kleine groepen · de trainer weet groepsprocessen te begeleiden · de trainer geeft gerichte feedback Voordelen: · zelfwerkzaamheid van deelnemers · opdrachten doen een beroep op verschillende vaardigheden (analyse, oplossingsgericht denken, evalueren) Nadelen: · tijdsintensief (zowel in voorbereiding als uitvoering) · verloop en uitkomst zijn niet voorspelbaar Voorbeelden: · casestudies (‘Stel dat …. Hoe pak je dit aan?’) · zelfstudie · huiswerkopdrachten
Spelvormen Spelvormen zijn geschikt voor het oefenen van complexe praktijksituaties waarin de deelnemers verschillende rollen spelen. Een nabootsing in spelvorm helpt om situaties levensecht en herkenbaar te maken, problemen boven tafel te krijgen en na te bespreken. Succesfactoren: · de trainer is in staat een ‘levensechte’ spelvorm te ontwikkelen · deelnemers zijn gemotiveerd en bereid om mee te werken · de trainer weet de spelvorm en de nabespreking te begeleiden Voordelen: · deelnemers ervaren praktijksituaties aan den lijve: ze ervaren de effecten van het eigen gedrag van zichzelf en van anderen · ze leren problemen herkennen en worden aangezet tot het oplossen ervan Nadelen: · tijdsintensief (zowel in voorbereiding als uitvoering) · deelnemers zijn soms onwennig en niet ‘rolvast’; daarom is de nabootsing van de praktijk niet in alle gevallen levensecht Voorbeelden: · rollenspel
Bron en © : www.leren.nl |
|
|
© PP in taal 2000-2011 KvK 27146258 |